|
|
Misschien kunt
u mij helpen met het volgende. Een leerling stelde mij een vraag i.v.m.
de lessen organische chemie, waar ik niet op kon antwoorden en waar ik
nog steeds geen antwoord op gevonden heb. Het gaat over aromatische chemie,
meer bepaald over elektrofiele substitutiereacties en bereiding van het
fenyldiazoniumion.
Het fenyldiazoniumion wordt bereid door aniline te laten reageren met
salpeterigzuur. Wanneer we de reactie in detail bekijken, ontstaat een
nitrosoniumion NO+. Dit kation valt aan op de -NH2
van aniline, en, na afsplitsing van water, ontstaat het fenyldiazoniumion.
Nu is de vraag: waarom komt het nitrosoniumion terecht op de -NH2
en niet op de ring zelf? Volgens alle boeken is -NH2 een ortho-pararichtende
substituent, die de ring reactief maakt, zodat je verwacht dat het kation
op de ring aanvalt. Toch gebeurt dit blijkbaar niet. Waarom? |
|
|
De reactie
van de alkalimetalen met water illustreert de reductorsterkte van deze
metalen. Kalium reageert heviger dan natrium, dat op zijn beurt heviger
reageert dan lithium. Deze rangschikking past perfect bij de plaats van
deze metalen in het Periodiek Systeem en bij de toenemende ionisatie-energie.
Nu zou je logischerwijs kunnen verwachten dat van de 3 genoemde metalen
lithium de zwakste reductor is. De normpotentialen en de spanningsreeks
van de metalen spreken dit evenwel tegen. Lithium is de sterkste reductor,
gevolgde door kalium en natrium. Zie hiervoor bijv. Fundamentele begrippen
van algemene chemie - Bruggemans en Herzog, p. 315 en p. 311.
In Natuurwetenschappen 6 van uitgeverij De Sikkel wordt dit probleem handig
omzeild door lithium niet in de spanningsreeks op te nemen.
Is er iemand die hier een aanvaardbare verklaring kan voor geven? |
|
|
Bij het bekijken
van een p-orbitale zien we dat die bestaat uit twee delen (lobben), met
de atoomkern in het midden. Een leerling vroeg mij hoe het elektron van
de ene lob naar de andere geraakt? Vliegt het dan door de kern? |
|
|
Wat is, volgens
jou, de meest fascinerende proef waarbij snel een duidelijk neerslag gevormd
wordt (liefst kleurrijk)? |
|
|
Ik zit
opnieuw met een chemisch probleempje, ditmaal in verband met redoxreacties.
Het eerste over de sterkte
van oxidatoren en reductoren. Ik zoek hieromtrent wat meer informatie
in boeken. In geen enkel handboek vind ik hierover iets terug, ook
niet in Chemical principles (Zumdahl). Weet jij soms een aantal boeken
waar hierover iets meer in staat ?
De spanning van het
galvanisch element bekom je door verschil te nemen van de standaardnormaalpotentiaal
van oxidator en reductor.
Toen ik mijn humaniora volgde kregen wij het volgende vraagstuk voorgeschoteld:
Zoek de redoxpotentiaal
van MnO4- + 4 H+ + 3e <=> MnO2
+ 2 H2O
Op de achterkant van
het periodiek systeem zijn de redoxpotentialen te vinden:
| Mn2+
+ 2 H2O <=>MnO2 + 4 H+
+ 2e |
Eo =-1.23V |
| MnO4-
+ 4 H+ + 5e <=>Mn2+ + 2 H2O
|
Eo =1.51V |
Als je beide deelreacties
optelt, kom je inderdaad hogergenoemde vergelijking uit, waarvan je
de redoxpotentiaal moet berekenen. Toch is de redoxpotentiaal van
deze reactie niet gelijk aan 1.51V - 1.23V = 0.28V, maar aan 1.70V
(staat ook op periodiek systeem).
Mijn oplossing van toen was de volgende
(-1.23V) * 2 (omdat 2 elektronen)= -2.46V (voor de eerste deelreactie)
(1.51V) *5 (omdat 5 elektronen)=7.55V (voor de tweede deelreactie)
De som daarvan = 5.09V
5.09V/3 (omdat in de redoxreactie 3 elektronen aanwezig zijn) = 1.70V
Helaas begrijp ik niet waarom deze werkwijze gevolgd wordt (waarom
moet standaardnormaalpotentiaal vermenigvuldigd worden met aantal
elektronen in de oxidatie/reductie) ?
Kun jij hierin klaarheid scheppen ?
|
|
|
Kunnen
jullie mij het verschil geven tussen gewone mortel en kalkmortel? Ik
dacht dat gewone mortel gemaakt werd met cement, waarvan ik dacht dat
dit met CaO gemaakt werd. En dat er bij het verharden door water en
CO2, CaCO3 ontstond. Nu vind ik in een ander boek
dat dit juist bij kalkmortel zo is en dat daardoor dit bij brand niet
zo sterk is omdat het CaCO3 dan weer ontbindt.
|
|
|
In het boek Zumdahl (2de
editie p 467) staat te lezen dat een voertuig met 'dode' batterij toch
gestart kan worden door de batterij te verbinden met deze van een gestart
voertuig. Dit kan echter gevaarlijk zijn, omdat de stroom nu een elektrolyse
van water kan teweegbrengen (productie O2 en H2).
Waarom ontstaat nu H2 en O2 en bij het normale
opladen niet (of veel minder)?
Bij het ontkoppelen van de startkabels ontstaat vaak (?) een vonk, zodat
het ontstane gasmengsel tot ontploffing kan worden gebracht. En verder
"this problem can be avoided by connecting the ground jumper cable
to a part of the engine remote from the battery. Any arc produced when
this cable is disconnected will then be harmless."
Dit laatste begrijp ik niet zo goed. Betekent dit dat men de zwarte
startkabel (die de minpolen verbindt) eerst moet afnemen en ergens vastklemmen
op een motoronderdeel? (Ik zie trouwens niet in waarom dit nu ongevaarlijk
is.)
|
|
|
Bij het tekenen van de
ijkcurve (absorbantie in functie van de concentratie) moet het resultaat
een rechte zijn door de oorsprong. Indien er een betere rechte kan getekend
worden tussen de gevonden waarden, die niet door de oorsprong gaat,
mag dit dan? Of is het correcter om toch de rechte door de oorsprong
te tekenen?
|
|
|
Mijn probleem
situeert zich bij de winklertitratie (zuurstofbepaling), waarbij het belangrijk
is dat de thiosulfaatconcentratie nauwkeurig gekend is. Vandaar dat een
standardisatie dient te gebeuren. De standardisatie gebeurt door middel
van een titratie van KIO3. Maar hier wringt het schoentje!
Om, uitgaande van de gekende concentratie/normaliteit KIO3,
de concentratie/normaliteit van Na2S2O3
te berekenen vond ik onderstaande voorbeelden terug. Telkens wordt bij
een oplossing KIO3 een aantal milliliter KOH+KI en een sterk
zuur toegevoegd. Hierdoor ontstaat I2 (of I3-)
dat blauw kleurt in aanwezigheid van zetmeel. Men voegt wat zetmeel toe
en titreert tot de blauwe kleur verdwijnt. Het is mij helemaal niet duidelijk
hoe het nu wel moet. Heeft het te maken met begripsverwarring normaliteit
- molariteit? Wat is nu de correcte manier? |